op de stoepen verdringend, giganten met granieten schouders, monumentale hoofden, wandelstokken als knotsen, parasols gelijk daken van tenten, lieten ’m geen oogenblik uit den greep van wat-ie, onmiddellijk na de operatie, als ’n nachtmerrie had gevoeld.
Klein van gebaar, met de schuchterheidjes van iemand die in ’n volle zaal de aandacht trekt, schelde-ie aan.
Dezelfde huisknecht, die door ’t deurgat de kater-oogen had gezien, keek nu in de groo-te, goedige oogen van den hit.
En tegelijk klonk Georgette’s stem in verwelkoming.
— ’k Heb je briefje nog geen tien minuten geleden gekregen, riep ze, de trap afhaastend, en z’n hand in de twee hare drukkend: ’k was net van plan om naar jou toe te gaan.
— ’k Ben blij dat ’k je weer zie, zei-ie mat — en zich naar haar vróéger zoo kleine hand buigend, om die met de ouwe hoffelijkheid te kussen— wist-ie dat-ie’r niet zag, dat ze ’n nooit te bereiken, nooit meer te beminnen deel van den fatalen, ontzettenden droom was geworden.
Terwijl ze over ’m in de luxueuse kamer
86