groote schaduwtjes waren, maar de verhitte verbeelding zwiepte ’t geschuif, gewentel, gebeef, tot duizelig-makende, afbeulende, krijschende, hijgende waanzinge-stalten.
De morgen bracht nog geen weldadige rust.
In ’t heen-stervend duister naderden de logge contoeren der kamer-voorwerpen, groot en zwaar, drom van lugubere vormen.
Door z’n oververmoeidheid werd ’t eigen lichaam ’n schriel, pover-onaanzienlijk ding bij de stugge massiefheid van electrische kroon, lavabeau, tafel en stoelen.
En eerst onder ’t duldeloos-warm dek vergat-ie die werkelijkheid bij afmattende droomen — droomen waarin de fantasie de oneindigheid van lijnen en afmeting diep-ellendig herhaalde.
Laat op, reed-ie tegen twaalf uur naar Georgette’s huis, waar ze ’m den eersten nacht aan de deur hadden laten staan.
De kolossen van huizen, de monster-uit-stallingen in de magazijnen — étalagekas-ten met ziekelijke vergroeiingen — de reusachtige rijtuigen en trams — ’t glee in obsessie voorbij — en de voorbijgangers, zich
§5