looze hardheid, of ze in steen waren gehouwen.
En terwijl ze, als in eenzaamheid, boven ’t dooraderd marmer der handen bad, dacht-ie aan den nobelen sphinxe-kop, dien-ie bij de pyramiden van Gizeh gezien had.
Toen ze gereed was had-ie den bril af gezet.
— Mag dat? vroeg ze, in de amandel-oogen van den hit kijkend.
— Ja, zei-ie, klein achteruit leunend.
Dien heelen avond, telkens met nieuwer verwondering over de dingen, die-ie oplette, de dingen in hun topzware grootte
— den als ’n kip zoo forschen kanarievogel — de reuze-spin in ’t reuze-web tegen ’t plafond — de angst-aanjagende d i e-r e n bij de lamp — behield-ie dat, de sensatie van kleuterigheid, ’t geworstel om zich aan de nieuwe omgeving aan te passen. Toen-ie z’n brief aan Georgette — uitgaan deed-ie beslist niet — met letters, die ’m monsterachtig voorkwamen, geschreven had, praatte-ie nog ’n poos.
— Zuster, begon-ie: ....hoe denkt u dat de kanarie ons ziet?
— Dat weet ’k niet, zei ze verwonderd naar ’t van stok naar stok wippend vogeltje kijkend.
82