— Zuster, zei de majoor: we hebben meneer vannacht in zijn eigen belang logies gegeven, omdat de bende op straat ’m niet met rust liet — en omdat we natuurlijk niet konden ruiken, dat ’t meneer was.... Anders zouen we meneer met ’n rijtuig thuis hebben gebracht....
Het was ’n hoffelijke, blijkens ’t nog niet vernietigd verbaal, inderdaad zeer correcte uiteenzetting van ’t nachtelijk incident. Joep glimlachte zuur.
De tot spleten genepen pupillen van z’n oogen keken tusschen de gezwollen, in ’t zalfje van aan ’npolitie-boterhamontkrab-de margarine, glimmende oogleden naar de zij der brave Loek, die ’m met ’t ochtendgloren verlossing bracht.
— Dag zuster, zei-ie zoo gedwee als ’n na gespijbel ’t huis insluipende schooljongen: ’t is mis voor vandaag — m’n oogen zijn met iets onzachts in aanraking geweest.
— Dat zie ’k, zei ze, onwillekeurig zoo droog, dat ’t heele wachtlokaal in ’n lach schoot.
Daar niet aan meedoend, omdat-ie geen begrip van de dekoratieve versiering bij z’n neus had, slurpte Joep de reuzekom leeg —
65