gong-slagen, sloeg half elf, kwart voor elf, elf.
— Elf uur, meneer, waarschuwde ze voorzichtig, niet wetend of-ie sliep, of wakker was.
— Ja, ja, antwoordde-ie: dat heb ’k gehoord....
— Wil u dat ’k Johan schel, om u naar boven te brengen?
— Nee.
— ’t Is later dan anders.
— ’k Heb al gezegd, zei-ie, ’t venster openend ■— hier kende-ie den stand van elk voorwerp —: dat ’k in de eerste uren niet naar bed ga....
— Toe, drong ze aan: daar heeft u morgen spijt van.... We doen zulke excessen vandaag....
— ....Als ü slaap heeft, praatte-ie ’t donker van den tuin toe: laat ’k u dan niet ophouden.... Ik blijf ’n paar sigaretten roo-ken....
— Ik heb ’t niet voor mij persoonlijk gezegd, zei ze nog eens geduldig.
In den stillen zomernacht buiten — ’n nacht van maanschijn en dauw-flonkrende sterren — ’n limpiede nacht met lichtende maanglans-blaren — was ’n dwaas en aan
38