ze z’n hoofd in ’r handen, snikkend, ver-ward-pratend, ’m liefkoozend, tot ze bang voor wat ze niet meer verzwijgen kon, uit de kamer vluchtte.
’r Voeten holden de gang door, klapperden als castagnetten de trap af.
Hij, met ooren die elk dier ziende stappen uit den ’m omringenden nacht losscheurden, bleef in opgierenden schrik achter.
Toen ze terugkeerde had-ie begrepen.
— Waarom heb je dat niet gezegd?, vroeg-ie, schuw als ’n kind.
— Ik dorst niet.
— Waarom heb je me alles voor jóu laten doen, terwijl je zelf....?
— Vraag niet!, smeekte ze.
Dien avond, nog vóór de purperen hemel-flarden door den nacht waren verslurpt, leidde ze hèm weer — liepen ze saam in de lanen van ’t park, arm in arm, de zware, zwarte boomstammen voorbij — vertelde hij van ’t visioen bij den professor — van z’n wanhoop bij de zekerheid dat ze beiden blind waren — van z’n vreugde dat zij voor hèm weer zag....
Dien avond, ’m waarschuwend voor de
232