eiken en beuken in ’t park dof-rood be-vlammend.
De heele hemel in den lichtenden gloed van den laaienden zonnebrand, die de struiken klagend dee knetteren en de ruiten van den stal bij den moestuin met neerdruppend vuur overstortte, was ’n bergland met purperende kegels en dalen met schuiming van wijn.
Waar de zon in ’t kitten der takken naar den einder toeboog, leek ’n krater spattende sintels en fel-rosse dampen te spuwen, droop en klotste ’t roode, ruwe, de oogen kwetsende gekrinkel langs de kokende, weerlichtende kammen.
En in de kamer zelf kreeg elk voorwerp ’n rooden, verjeugdigenden aanslag.
’t Tafelzilver kwijnde als roodkoper, de glazen bewogen met vloeiende randen en sprankels op de wigjes kristal, de onderste knop der electrische kroon builde op tot ’n wild-plassend zonnetje, ’t damasten tafelkleed zwom in violette verzweving en z’n den bijbel omvattende hand met de transparante vinger-toppen, leek in den greep van ’n blazend haardvuur te tasten.
— Joep, zei ze zacht — en de karmijn-roode raaf van z’n schouder jagend, nam
231