ophitsende wortels, de ongelijkheden der paden, vroeg ze met lichtende oogen om vergiffenis, dat ze zóóveel, zóóveel had gezien, dat-ie ’r nooit zou hebben gebiecht — als-ie geweten had.
Met de armen om elkaar’s middel, de blinde en z’n jonge verpleegster, liepen ze ’t hek uit, op geen voorbijgangers, geen menschen, geen buren lettend.
En zoo, zoo dwaas-verliefd, werden ze in later jaren nog dikwijls gezien....
Berlijn, Aug./Dec. 1908.
233