schemer kijken, terwijl-ie ’r voorloog dat-ie de eerste avondster zag....
— We konden morgen, zei ze — denkend aan den wonderdokter, die haar had geholpen —: we konden morgen naar den professor gaan — misschien weet die voor mij raad, Joep.
Ze zag ’m schrikken, heftig de vuisten ballen.
Z’n stem bleef onveranderd.
— Dat kan niet....
— Waarom niet?.... Jou heeft-ie toch ook zoo dikwijls geholpen?
— Omdat-ie op reis is, loog-ie.
Ze zweeg, niet begrijpend waarom-ie onwaarheid sprak.
En in die stilte stond-ie voorzichtig tastend op, om van ’t kastje den bijbel te krijgen.
Ze herkende ’r geschenk, ’t boek met ’t braille-schrift.
Met den vinger over de letters glijdend, zooals-ie ’t die dagen gedaan had, zonder dat ze ’t vermoedde, begon-ie — glimlachend, omdat Pieter, de raaf met de duive-oogen, die-ie van ’t lijk mee had gebracht, zich op z’n schouder zette.
Buiten ging de zon onder, de stammen der
230