Dan vroeg ze ’m ongerust: — Wat ben je stil, Joep?.... Scheelt ’r iets aan, Joep?.... En bij z’n ontkennen, werd ze ook even, heel even — lang kon ’t vandaag niet! — onrustig, omdat-ie niets op ’r gelaat zag, niets van de ontroering las....
In ’t gedamp, ’t transparant geel, waarin ze zich ’n ander mensch voelde, had ze geen dadelijke herinnering aan de vrees van den vorigen avond....
Op weg naar de kerk — naar de kerk móést ze — nooit had ze ’n Zondag verzuimd — werd ze aan z’n arm zoo stil, zoo beverig bang of iets vreeselijks naderde.
Ze vergat den zonnigen nevel, den goudglanzenden mist die ’r pas ’n zaligheid was geweest, bij ’t struiklend, onvaste gestap van ’r leidsman — bij ’t telkens waarschuwend spreken van Johan, die naast Joep
ging-
— Pas op de stoep zuster, — zei de stem van den lakei of-ie tot haar sprak, of Joep niet voor ’m bestond — of: ho, zuster — wachten tot ’t rijtuig voorbij is — of:.... meer rechts houden, zuster....
— Waarom zeg jij niets?, had ze een keer
222