nende zonbal ’r begreep — en toen Joep klopte, lag ze nog net zoo voor ’t bed.
— Mag ’k binnen komen?, vroeg-ie, dat hardop spreken niet snappend.
— Nee! Nee!, schrikte ze schaterend: ’k ben nog niet aangekleed! ’k Stap pas uit m’n bed!
Den deurknop liet-ie los en door de gang terugstappend, murmureerde-ie ’r over — hoe triestig de komedie werd — hoe-ie rustig binnen had kunnen gaan.
Geen vrouw hoefde zich bij zijn oogen te schamen.
Bij ’t ontbijt zei ze niets.
Als 5k vertel — iets van ’t wonder loslaat
— en ’k me vergis — ’t geen herstel is, zal-ie zich over de goddelijke hoop verheugen, om later nog harder te worden teleurgesteld, dacht ze met ’n gelaat van vreugde en moeilijk-bedwongen blijdschap.
Bij wat ze sprak lichtten ’r oogen, bewogen ’r lippen bij ’t cadanseeren van ’n muziek die alleen zij hoorde. Als-ie door de zonfontein bij ’t venster liep, wist ze ’t al, had ze moeite ’t niet uit te gillen: hij staat bij ’t raam — hij onderschept ’t geplas van de zon — en ’k zeg ’t ’m niet, liefste God, nog niet—’k wil zekerheid, stellige zekerheid....
221