De klok van den dorpstoren luidde, klaar en met montere stooten, toen ze eindelijk ontwaakte.
De zon doorgloeide de kamer, lei als ’n dampende, geluwe bal rond ’r hoofd. Moeilijk opstaand ging die bal met ’r mee naar de deur, naar de waschtafel, naar ’t venster.
Ze kleedde zich niet, dacht ’r niet aan zich te kleeden — dacht aan niets, krankzinnig als ’r de dronkenschap van dampend, geel-kwijnend licht, dat weer door de schaduw van ’r heet-gloeiende hand verdween, maakte.
’r Hoofd stak ze buiten ’t raam in de gierende branding der zon — ze bukte zich in den stralenbundel die de kamer doorbalkte: ’t blééf — ’t geluw gebuil of ’r ’n nimbus om schoof — en als ze de handen voor de oogen flapte, werd ’t duister van gister.
Liefste God — liefste, liefste God, zei ze enkel — en de zwakke hoop dat de door den wonder-dokter geënte dier-oogen zonschijn begonnen te grijpen, smeet ’r in woeste hartstochtelijkheid op de knieën.
Ze bad — ze schreide — ze lachte — ze praatte onstuimig of de dampende, kwij
220