— Nee, Joep — je gaat!
— Waar zou ’k heen moeten?, praatte-ie voorzichtig.
— Dat heb je vroeger toch niet gevraagd, lachte zeprachtig-opgewekt — o, hoe won-derlijk-ie veranderd was — hoe onherken-baar-ie leek — hoe ’t offer werkte....
— Later — later, zei-ie dicht bij ’r neerzittend: later heb ’k gelegenheid genoeg.... Vanavond blijven we met z’n tweetjes....
’r Was iets in z’n stem dat ’r trof — en voor ’t eerst iets in z’n gebaar dat ’r pijnlijk verraste.
’r Hand, die-ie grijpen wilde niet ontmoetend, dee-ie zooals voor maanden. Langs de stoelleuning gleden z’n vingers omhoog tot bij ’r schouder — dan, met ’n plotse daling over den bovenarm en den elleboog, nam-ie ’r hand.
’t Deed ’r schrikken. Ze kende dat tasten. Ze kende ’t uit de dagen toen zei ’m leidde, kende ’t als ’n oud, héél-oud geluid.
— Wat doe je?, vroeg ze, de hand, of-ie ’r pijn deed, terugtrekkend.
— Wat ’k doe?, herhaalde-ie lachend: je hand nemen.... Mag dat niet meer?
— Ik dacht.... dacht, zei ze, bang voor de
218