werd dat ’t spelen van lang-gestorven kleuters, meiskes met bloote voeten, jogjes in ziek-bedden, zooals de ouders ’t later nog wisten, later aan anderen vertelden.
— ’t Heeft vannacht zoo kostelijk geregend, zei ze ’m den volgenden morgen, ter-wijl-ie tastend ’r brood sneed: ’k heb nóóit geweten, dat je door regen en wind zooveel, zoo heer lijk-véél hooren kon.... Heb je ook liggen luisteren....?
— Nee, loog-ie: ik heb geslapen....
Z’n getob, z’n gewoel, z’n telkens driftig-ellendig opstaan, z’n onmachtig gewandel om de tafel heen, tot-ie duizelig, als ’n gekooid dier probeerde te rusten — bleven z’n geheim, behoorden bij z’n gelofte.
Zaterdagavond had ze ’m willen pressen, dringend overreden de stad in te gaan, zich te verzetten.
Ze mocht dat niet eischen,mócht’mnietop die manier binden. Hij weigerde vroolijk.
— Toe — toe, smeekte ze: ik heb je mijn oogen niet afgestaan, om ze hier op te sluiten.... Dat kun je niet uithouden — en ik wil niet dat je ’t uithoudt....
— Daar zul je aan moeten wennen, ant-woordde-ie lachend.
217