Nooit had ze ’t zóó gehoord, geweten, begrepen.
Midden in den nacht kon ze opzitten, met gevouwen handen glimlachen. De regen, de wind, ’t gesuis der blaren, de kleine stilten vooral die je tusschen de grooter ontrustingen oplette, waren stemmen, stemmen die de óógen in de domme jaging der uren voorbij-haastten, stemmen-van-eeu-wigheid, stemmen van dooden en stemmen van ontwakenden — hijgende, troostende, klagende, lachende, berustende, weer in daad en kracht opstootende stemmen.
Als de wind den regen tegen de ruiten zwiepte, de takken kraakten, de schoorsteen z’n angsten uitjoelde, deden dat men-schen-menigten die ze nu, juist nu, beter dan vroeger zag — als ’t zachter, rustiger, egaler langs de wieglende blaren schoor, deden dat slapenden, zich gelaten overge-venden, schepsels van voor ééuwen, lieden waarvan ze de hoofden in drommen, als zwarte wolkgevaarten, meende te speuren, — en als ’t door de zwaarmoediging der vlagen heen, tot de rust, de bezinking van ’n dal tusschen bergdreigingen groeide, ’t natdruipend getekker op ’t kozijn met ’t tikken der klok maat trachtte te houden,
216