— Hoe kunnen de menschen bang voor den dood zijn, droomde ze hardop: als ’k naast jou zit, zonder je te zien, heb ’k moeite te gelooven dat we nog in ’t zelfde leven leven.... En jij?.... Nee, dat voel jij natuurlijk niet, omdat je door je oogen nog zooveel ziét.... Of vóél je dat mee, Joep?
— Dat dóé ’k, zei-ie dan zacht.
Dat geluid, dat vrouwegeluid, ’t welk uit ’t zelfde donker opklonk, dat niet klaagde, niet zocht, niet aarzelde, kreeg de dof-gouden, schaduw-doorsponsde laaiing van ’n fakkel in ’n grot, de dichtbije voorwerpen met een vreemden, zoet-innigen gloed bestrijkend.
Voor ’t venster, zonder weet van dag of avond, bleven ze beiden in ’t land-van-den Droom....
Aan wandelen dacht ze niet voor ’t Zondag werd.
— M’n voet is verstuikt, had-ie gelogen en gelukkig — ’r kwamen dagen van regen, piassenden, staag-neerstriemenden regen. Van ’s morgens, zóó als ze wakker was tot diep in den laten avond, die’r z’n eenzaamheid mee scheen te bezuchten, raasde, praatte, fluisterde, zong, schreeuwde de regen.
215