zijn adem, zijn voetstappen?
Zat hij niet als mee-denkend, mee-biddend, mee-levend mensch in de kleine ruimte om ’r heen, die kamer heet, de ruimte van vier wanden en ’n venstertje, waar-langs en waar-boven en waar-om de ontzaglijkheid van ’t heelal, de verpletterende grootheid en oneindigheid der dingen, als ’n kolkend-rumoerende stroom die hen losgelaten had, bewoog?
Herinnerde ze zich niet de wrangheid, de gestorvenheid der uren toen ze geen zon, geen vreugde, geen heerlijkheid in de natuur zag, wilde zien, omdat ’t leven zonder hem, zonder zijn genegenheid, ’n pijniging werd?
Had ze niet geworsteld, radeloos geworsteld tegen de goddelijke zelfzucht van ’n liefde, die ’r slavin maakte — had ze niet op de knieën gesmeekt van dat alles be-heerschende, ’r gedachten niet met rust latende, verlost te worden — voelde ze zich nü niet als ’n koningin, ’n boven de aarde uitademend gelukskind, in ’t evenwichtig, paars-doorwierookt donker, wanneer ze, hand in hand, de klanken van ’t park met z’n merels, lijsters, zingende takken en neuriënde blaren, beluisterden?
214