glimlachen, las-ie uit Johannes:
— Ende voorbijgaande, zag hij eenen mensch, blind van de geboorte af — ende zijne discipelen vroegen hem, zeggende, Rabbi wie heeft er gezondigd: deze of zijne ouders, dat hij blind zou geboren worden?
— Jezus antwoordde: noch deze en heeft gezondigd, noch zijne ouders: maar dit is geschied opdat de werken Gods in hem geopenbaard zouden worden. Ik moet werken de werken desgenen die mij gezonden heeft zoolang het dag is — de nacht komt wanneer niemand werken kan....
Zoo — met ’n lach die geen echo in z’n stem vond — met uitvluchten die ze niet kon vermoeden — met onwaarheden, die den altijd om hen heen-draaienden lakei angstig gespannen deed luisteren — met geduldige toewijding zoolang-ie bij haar, maar met feller-klagenden opstand als-ie de eindelooze nachten in z’n kamer alléén was — drong-ie ’r die dagen door z’n zorgen, z’n alles-raden, z’n elk gebaar voorvoelen, door z’n attenties en onafgebroken bij ’r blijven, de gedachte aan ’t volkome-ne op
Wat verlangde ze anders dan zijn stem,
213