als zilver-drading rond de plek waar ze zat
— bewoog, boog en met zachte deiningen slingerde....
Ik heb hem mijn oogen gegeven — hij mij dit zalige, dacht ze — wat ben ’k gelukkig, gelukkig....
De krant vouwde-ie dicht — nog hield ze z’n hand.
— Nu heb je ’t nieuws — veel is ’r van avond niet, glimlachte-ie.
— Ik wist niet dat je zóó goed las, glimlachte zij:.... en nu nog ’n héél klein stuk uit den bijbel als je niet te moe ben — wil je?
— Ik ben niet te moe, zei-ie treuzelend opstaand — en ze beluisterde z’n langzaam-schuifelende voeten, die naar den schelknop bewogen.
In de gang hoorde ze ’m fluisteren.
— Heb je geheimen voor me?, vroeg ze toen-ie weer binnenkwam.
— Nee — niet één, loog-ie.
En even later las-ie ’r voor uit den bijbel met ’t B r a i 11 e-schrif t, dien ze voor maanden voor ’m gekocht had.
Voorzichtig volgde z’n vinger de opbuilende letters en met ’n emotie die-ie nog niet had gekend, die haar droomender deed