tend, terwijl ze alleen waren: Loek, je hoeft niet te twijfelen — ik ga enkel voor jóu leven.... Ik aanbid je....
’r Willooze, trillende handen kuste-ie — ’t kruisje wiegelde in den door niets te verjagen mist.
— Ik ben zoo diep ongelukkig geweest, klaagde ze smartelijk.
— Je hoeft ’r géén spijt van te hebben, troostte-ie nog eens.
’t Gouden gewiegel werd sterker, omdat ze zich naar ’m boog.
De armen sloeg ze in teedere hartstochtelijkheid om ’m heen, en in de zalige zekerheid dat ze ’n steun had, dat ze niet meer alléén was, drukte ze ’r lippen op z’n voorhoofd.
— Als 5k straks leelijke dingen heb gezegd, Joep — moet je ’t vergeten, zul je?.... ’k Heb zoo’n afschuwelijken dag gehad.... En ’k had je 5t grootste gegeven wat ’k wegschenken kon.... Als jij zegt dat je gelukkig ben, ben ik weer dubbel tevreden....
— Ik ben volkomen gelukkig, loog-ie.
— Heb je niets dat je niet durft zeggen?
— Niets.
— Heb je ergens verdriet over?
— Nergens.
209