zeggen, waarom ’k uitbleef.... Spijt van je oogen hoef je nog niet te hebben — nóg niet....
’r Vuisten ontspanden zich.
Hij had ’t zoo vreemd weemoedig, zoo innig overtuigend gezegd, dat ze angstig luisterde of-ie ’r op ’n nieuw ding-van-ellende ging voorbereiden.
Johan liep druk-bewegend de kamer in — en bij ’t getinkel der messen, vorken en lepels — ’t bedwongen geluid van borden en schalen — vroeg ze enkel nog:
— Eet ’k hier?
— Ja — ik ook.
— Waarom doen we ’t hier?
— Omdat dat gemakkelijker voor jou is, lachte hij weer.
De lakei had ’t electrisch licht ontstoken. Vager zag Joep de vergulde knoopen — vaag lette-ie de rosse kwijning van ’t gouden kruis aan ’r hals op.
Waar dat kruis phosphoresceerde, met weelderiger gevonk op den balk naar de zij van de lamp, wist-ie ’r, zag-ie ’r.
Eer de klok twaalf sloeg zou-ie ook dat niet meer zien. En dat maakte ’m één oogenblik gek.
— Loek, zei-ie voor ’r op de knieën stor-208