anderen geleefd had, was door ’t oponthoud, door ’t avontuur met den wonderdokter dat-ie ’r niet vertellen wou, niet vertellen mocht, ’n vrouw geworden die zich bedrogen voelde, bedrogen, belogen
— en ’t met gebonden handen moest aanvaarden.
— Ik heb dat voor jóu gedaan, zei ze moeilijk-hijgend en met spits-gebalde vuisten: ....ik heb je met mijn oogen gelukkig willen maken — en je laat me m’n ergsten dag aan m’n lot over!.... Heb ik jou dat ooit?.... Heb ik jóu zonder eten, zonder drinken, zonder ’n woord van opbeuring opgesloten?.... Jij egoïst — jij mensch zónder hart — om me zoo naar m’n dóód te laten verlangen.... Hij heeft wèl gelijk gehad, die man, om me voor je te waarschuwen.... ’k Had ’t nóóit gedaan, als ’k had kunnen denken....
— Zoo onrechtvaardig als jij nu doet — en zoo onredelijk, zei-ie in den schemer bij ’t venster, dat, voor hen beiden onzichtbaar, den dofrooden glans der wolken-schuiming aan den einder zwakvlammend weerkaatste:.... ben ik tóén ook dikwijls geweest, Loek.... Ik kon niet eerder komen
— dat moet je gelooven.... Later zal ’k ’t
207