onvoorzichtigheid, één domheid ’t geheim verraadt, zet je jezelf op straat! Af gesproken?
— Afgesproken, meneer — maar ’k hoop nog....
— Je hoeft niet te hopen — dat doe ik zelf niet....
De traptreden kraakten — de Smyrnaasche looper zuchtte onder de vier voeten — ’t kon niet anders of ze had ’m gehoord: toch antwoordde ze niet bij z’n geklop.
— Mag ’k binnen komen, Loek?.... Loek, slaap je?
’t Leek of ’r niemand in de kamer was. Toen, na nog vinniger geklopt te hebben, opende-ie de deur.
Ze zat op den rand van ’t bed — hoe wit ze was zag-ie niet.
— Heb je niet hooren kloppen — of heb ’k je wakker gepord?, vroeg-ie, ’r kleine hand nemend.
Ze trok die zonderling-driftig terug, bleef stilzwijgen.
— Wat is dat?.... Ben je zoo ontstemd?
— Hoe laat is ’t?, vroeg ze opstaand, naar ’n stoel tastend.
— Bij achten — ik werd opgehouen.
205