Z’n eerste sensatie was ’r een van onstui-migen, alle overweging wegtrappenden schrik geweest — woeste angst en verzet bij ’t zich grimmig-herhalende, niet loslatende.
De nacht die nu wéér naderde, was de nacht voor altijd — ’n nacht waarin geen dierenoogen, geen nieuw offer, verlossing konden brengen, nu de Professor door de worgende vingers van den orang oetan voorgoed afscheid genomen had.
Die schrik, die opvlamming van angsten, verlamden ’m, deden ’m wezenloos kreunen, tegen de beslagen auto-ruiten aanstaren — tot-ie in grooter, wilder foltering dan-ie ooit had gekend, rechtop stutte, alles van zichzelf vergat.
Als-ie — groote Almacht: als-ie dié, dié oogen — dat superbe vrouwe-geschenk — kwijt raakte — als-ie ’r voor de zooveelste maal de macht, ’t stuur over miste — als-ie opnieuw tot jammerlijk tasten gedoemd werd — waren ze beiden — zij èn hij — hij èn zij — weerloos, overgeleverd aan derden, hulpeloos verloren.
’r Dat te zeggen, te biechten — ’r na wat povere uren — uren — de teleurstelling bezorgen dat ze zich nutteloos, zonder
202