— Ja, jongen — en pas op m’n nieuwen kameraad.... Voorzichtig! Heel voorzichtig!.... ’k Zie op ’t moment weer niet tè best. Gesteund door den huisknecht, die niet verder durfde vragen, ’m verbaasd-ongerust aankeek — had meneer niet vanmorgen de begrafenis zonder hulp van iemand meegemaakt? — bestapte-ie 5t bordes — de voeten in aarzelend-schuifelende tasting als vróéger.
’t Was ’r weer — ’t onvermurwbaar, telkens ingrijpend, door geen menschenhan-den te keer en noodlot....
Want al zag-ie nog vaag, zwakjes — of ’t loom-dampende, buiten, met ’m mee in ’t huis was gestapt — de aangroeiende onmacht van Loek’s oogen, zooals-ie die door z’n tranen bij ’t lijk van den wonderdokter waarlijk aangeroepen had — voelde-ie als ’n niet te ontvluchten, niet te ontworstelen, niet tot meelijden te stemmen ding. Dadelijk in de auto, op de terugreis, na de lange, zeurige, tijdroovende verklaringen aan de dorpsautoriteiten, had-ie ’t door de vertroebeling der langs de vensters aanstortende huisjes en menschen, ’t vaal-kleurloos worden van daken, struiken en velden, geweten.
201