Daar bleef ze, trillend bij elk auto-getoeter op den weg, de slagen der klok tellend.
Ze kromde de vingers smartelijk in ’r schoot, bette zich ’n paar maal ’t kloppend hoofd
— toen, tegen zessen, radeloos, bedwon-gen-kermend, ’t geruisch van Georgette’s rokken in de ooren, plompte ze op ’t bed, God om erbarmen smeekend, zoo wild-snikkend dat geen musch de broodkruimels van ’t kozijn durfde dieven.
De avondschemer traagde als ’n bruine, loom-dampende mist, norsch en in grommende dreiging door de plomp-zwarte boo-men gebrokkeld, toen de lantaarns van de auto ’t voorplein met de joelende hijging van ’r lichtgeplas bestoven.
Als ’n oud man, gebukt en in wikkel van zorg, bleef-ie met de raaf op de knieën wachten.
Dichtbij klonk de stem van Johan.
— Goeien avond, meneer — we hebben uren gekeken — is ’r iets gebeurd?
— Nee, glimlachte Joep — en voorzichtig lei-ie de handen om ’t lauw-weeke lichaam der raaf: gebeurd is ’r niets, niets.... Enkel je arm, jongen....
— Mijn arm?, klonk de ontruste vraag.
200