hoorde ze ’t praten, ’t aanstappen der mannen, die van de begrafenis terugkeerden en in ’t sousterrain koffie met broodjes gingen gebruiken.
Naar de kamerdeur tastend, altijd met den glimlach-van-’m-te-zien, vond ze den schelknop, en bij de tafel ’n gewoonte-houding aannemend, vroeg ze den lakei of meneer nog sliep.
— Nee, zuster — meneer is mee gaan begraven — toen is-ie met de auto uitge-rejen....
— Heeft meneer gezegd waarheen?, vroeg ze mat.
— Nee, zuster — naar de stad, denk ’k....
— Dank je.
De deur veerde dicht. Ze vroeg om geen ontbijt, bewoog zich niet.
Voor ’t eerst sinds de oogen ’r door de druppels van den wonderdokter begeven hadden, stond ze beangst, zich verlaten, ziek gevoelend.
’t Had ’r zóó geschokt, dat ze de verhouding der lang-gekende kamer vergat en over 5n tabouret struikelde, zoo bot struikelde dat ze zich de knie bezeerde, moeite had den stoel, denzelfden bij ’t raam, bij ’t heete kozijn terug te vinden.
199