Op den tast, de eene hand bij den stoel, de andere bij ’t bed, kleedde ze zich. Langs den behangselwand schuivend vond ze de waschtafel en voor den spiegel, die ’r zag, die ’r nu ook lachend moest bekijken, die ’r arm-heffingen oplette, de rustige van ’t haar-kammen, de zekere van ’t met spelden opbossen — een voor een — zachtjes, voorzichtig aan, beluisterde ze de koele stilte der groote bovengang, bij eiken voetstap denkend dat hij ’t was, dat-ie ’r zelf
— voor de dienstboden — ’t ontbijt kwam brengen.
Klaar met ’t toilet, ’t eenvoudig toilet dat ze niet kon, niet behoefde te controleeren, hervond ze den stoel bij ’t raam, dat ze openschoof, ’t Was niet zoo moeilijk. Nee. God-zij-geprezen niet. En bij de brandende warmte van ’t kozijn, waar ze ’r handen
— of ze droomde —op lei — vlak bij de broodkruimels — dacht ze telkens: daar is-ie — dat is zijn stap — daar is iemand bij de deur — heerlijk — gelukkig: hij aanbidt me — ik aanbid hem naast den goeien God — en dat weten wij twee alléén — daar is nog niet één vreemde ingehaald — dat wéten wij — wij....
Maar de klok sloeg elf en over ’t grint
198