Met de handen voor de oogen, ’t geraas in de ooren, wachtte-ie, dacht-ie, gromde-ie, en de tranen doorslipten de vingers met de ringen van ’t boksijzer.
— Tot morgenochtend vróég — ik aanbid je! waren z’n woorden voor Loek’s kamerdeur geweest, woorden die ze nog duizendmaal hoorde eer ze, met gevouwen handen, insliep.
En vroeg was-ie blijven luisteren vóór-ie naar de begrafenis en den wonderdokter ging, zonder moed ’r te wekken.
Ze had zich verslapen. In ’t stille huis,waar de mannen om Netje heen waren getrokken, waar geen kinders uit vrees voor de gesloten gordijnen dorsten spelen — waar zij door ’r blindheid van geen dag, van geen nacht wist, had ze droomloos, heerlijk uitrustend tot de gangklok ’r zware tien slagen liet dreunen, geslapen.
Nu moet ’k opstaan, dacht ze, glimlach-end-verwonderd over zoo’n ontzaglijk-langen slaap.
’t Was dag. Ze hoorde ’t aan de stemmen benee, aan ’t rumoer van de vogels, 5t gonzen der vliegen, die ’s nachts niet bewogen.
197