man met de voor alle eeuwigheid dóóde oogen — ’t mensche-oog, ’t oog van de ree. Sluiten durfde-ie, wilde-ie ze niet.
Dat was bij dién man niet noodig.
De papegaai zong, schorde, gilde, liet zich aan z’n ketting zakken, trok zich op aan z’n snavel — ’t aapje in de schroeven op de tafel klaagde zwakjes — de slingeraap, hoog naar ’t plafond geklommen, speelde schreeuwend met de gewichten van de kroon — de kakatoes in de gang riepen: „Goeie mórrrge!”.... „Mórrrge!”—de katten, buiten, bevreemd in die zon sinds maanden, miauwden, krijschten — de elec-trische machine snorde met blauw-knersen-de vonkjes — de zon, gul en glanzend, bestraalde de groenbeslagen potten bij ’t raam, waar ook ’n konijntje met glanzende radium-oogjes de buitenwereld bekeek en waar de plant die tot de insectivoren behoorde, ’n goud-bronzen vlinder tusschen ’r blaadjes gekneld hield.
Dat was de zomer die de sterfkamer binnendrong — maar de Prof die ’t niet geduld zou hebben, zag ’r niets van — en Joep, met den gekromden orang oetan, die zich gewroken had, bij z’n voeten, lette ’r evenmin op.
196