Waggelend, onvast in de schoenen van den geleerde, stond de orang oetan op.
Maar voor-ie ’n stap had gedaan, gierde de koevoet op z’n beenigen kop.
Met ’n kreun smakte-ie achterover, naast ’t lichaam van den Prof, de geite-oogen in breking, de lange handen in trillende stui-ping.
Van de rekken regende ’t glaswerk.
De katten, voor de twee mannen vluchtend, stoven ’t raamgat door — de hond die van den radeloos-angstigen chauffeur ’n schop had gekregen, school in ’n hoek. Alleen de verminkte papegaai, langs de stangen van z’n hanger roetschend, gilde als ’n krankzinnige, en de raaf en de slingeraap schommelden krassend en schreeuwend aan de wilder balanceerende kroon. — Help me, zei Joep.
Met den chauffeur tilde-ie ’t lichaam van den Prof.
’t Vastgeklemd lancet nam-ie uit de kille hand — de hand met dezelfde aanvoeling van Netje, die-ie dien morgen had helpen begraven — de hand waarvan-ie de kou, de vréémde kou herkende — en bij ’t hulpeloos liggen van den man op den opera-tiestoel, bij ’t denken aan de laatste woor
194