geen voedsel gekregen had.
— Ik geloof dat we ’t wagen kunnen, zei Joep ’t eerst uit den schrik-doezel ontwakend: hij lijkt bewusteloos door wat-ie gedronken heeft — we zijn met twee tegen een. Of durf jij niet?
— Wat meneer durft, durf ik ook, sprak de chauffeur, zoo geel-bleek als de doode. De hamer sloeg de ruit stuk — de orang oetan bewoog niet, bleef met ’n slap-dik-ken buik voor zich heen lodderen. De bril, van z’n negerneus gegleden, hing aan ’n knoop van de colbert, — de oogleden, slaperig neer, als van ’n man in roes,schelp-ten gelijk slijmvliezen over de zwarte pupillen.
Weer mokerde de hamer tegen de uitwig-gende scherven van de ruit, de splinters naar de kamerzij gruizelend — de reuze-aap, met ’t hoofd op en neer wiegend, scheen ’r niets van te hooren, niets van te zien.
’t Boksijzer in de eene, den koevoet in de andere hand, sprong Joep over ’t kozijn — de chauffeur, snuivend van angst, sprong ’m na, struikelde viel languit met ’n schreeuw, die den herdershond verwoed op dee stuiven.
193