grijnzend naar de tamme, ovale, bruine, smeekende oogjes van den aap in ’t vivi-sectie-apparaat.
Dan, de magere armen in de slap neer-glissende colbert omhoog-stekend, nam-ie ’n glazen kruik, waarin ’n lichaamsdeel op sterk water geconserveerd stond, van de plank, ritste de blaas met z’n nagels stuk, en ’t glas aan z’n mond zettend, slurpte-ie den spiritus met slobberende rukken.
Met ’n smak splinterde de kruik op ’t grondzeil.
Stomdronken, wezenloos met de glim-mend-ivoren handen waaiend — verschillende preparaten leien verwoest bij de tafel — benauwd met z’n onderkaak trekkend, ging-ie toen bij ’t lijk van den Prof zitten, ’m slap-onnoozel aanstootend om ’m te wekken. Ook de herdershond was met de pooten languit en ’n slierend-rooie tong bij ’t starre gelaat gekropen — en Pieter, de raaf, gewend aan ’t daglicht, schommelde met den slingeraap aan de gaskroon heen en weer. In de gang van ’t voorhuis blaften de andere honden en ’n groote, gele kaketoe, wien de Prof ’n deel van de hersens ontnomen had, gilde als ’n vrouw in barensnood, schor-krijscherig, omdat ze nog
192