dat zich teertrillend tegen ’t gekwel poogde te verzetten.
De twee mannen voor ’t raam keken in diepste onthutsing, ’t "Was of de wonderdokter met z’n rooie warharen, z’n ronde schouders, z’n vivisectie-lust zelf aan den arbeid was.
De herdershond liep onrustig — de katten, tusschen de kolven en retorten sluipend, loerden met dikke staarten, blazend en hoog-gerugd, bang voor den nieuwen onderzoeker — ’t slinger-aapje smeet op z’n gemak de cylinderglazen en gasballons, die ’m bij z’n geschommel hinderden op den operatiestoel.
De orang, weelderig in ’t spel opgaand, had den hefboom der electrische onderzoe-kingsmachine, waarmee de Prof zooveel jaren hartwaarnemingen verricht had, bedrukt.
’r Begonnen bij ’t lijfje van ’t gebonden aapje radertjes te wentelen, assen te draaien en van ’n veer spetten wild-groene vonkjes, onhoorbare knetterinkjes of ’n scharensliep aan ’t werk was.
’t Pootige dier, den dikken kop over de tafel gebogen, smeet de scharen op den grond, wierp de tangen weg, keek log-
191