— Nee, meneer, zei de chauffeur — en z’n oogen loensden van ontzetting — liefst had-ie ’m gesmeerd! —: ’k heb enkel ’n boksijzer....
— Geef mij dat — neem jij den hamer, praatte Joep gejaagd.
Z’n aandacht was meer bij ’t lomp gehakkel der schoenen dan bij ’t half ontkleed lichaam van den Prof, die in z’n slaap verrast moest zijn. In de verknepen vuist hield de doode ’n met bloed bespat lancet.
— Is ’t niet beter hulp bij de buren te roepen?, vroeg de chauffeur, ’t roestige boksijzer aan Joep overreikend.
— Nee — dat is niet noodig — en ’r zijn geen buren...., zei Joep — en tegelijk weken ze achteruit.
’n Gedrocht met ’n afzakkende broek, ’n slordig-toegeknoopte colbert, ’n verfon-faaid Prince-of-Wales-boord en bij iederen stap na-kwakkende schoenen, strompelde naar ’t raam, drukte z’n neus met de holle neusgaten en ’n schuin-kiependen bril tegen ’t glas. De de ruit beschuimende zon, ketsend met bijtend-borende plassen, greep de platte, witte jukken van ’t afzichtelijk gelaat met z’n vel-slurfjes, rimpels en grauwharige pooten. En de gele, groote
189