schouwd, liep Joep door den nog angstiger chauffeur gevolgd, op de auto toe. Uit de gereedschapsbak gristen z’n handen ’n koevoet en ’n hamer — en bij ’t woeste geblaf en gegrol van de honden, begonnen ze de scharnieren van ’t studeerkamerluik stuk te rammeien.
’t Duurde. Maar toen ’t vermolmde hout pulverde, de grendel onder ’t hamergeweld krom trok, botsten de luiken vaneen, werd de kamer achter de ruiten zichtbaar.
De gestoorde raaf vloog krasserig-schreeu-wend, wild ’t glas bebijtend, van ’t lijk — de katten sprongen op de rekken met de kolven en retorten, potten met preparaten afstootend — Pluto, de herdershond met ’t eene oog plompte z’n pooten, grimmig-bas-send, op ’t binnenkozijn — ’n kleine slingeraap door ’t inplassend licht opgejaagd, schommelde aan de gaskroon op en neer, gillend en klagend met vinnig-dreigende tandjes — en van uit de andere kamer klotsten de manslaarzen, die ze met hartklopping beluisterd hadden, op ’t venster toe.
— Heb je je revolver bij de hand? vroeg Joep hijgend: dat kan alleen ’t werk van ’n inbreker zijn!
18 8