geen papegaaien in ’t weer door-malschend zonnetje — en de luiken waren nog voor de vensters.
Maar aanschellend was ’r in de gang ’t ouwe, bijna bezeten lawaai van honden en katten. Drie-, viermaal schelde-ie over ’t spektakel heen — toen, meenend dat de man zich verslapen had, beklopte-ie met den chauffeur samen de voorste luiken, de achterste.
De honden, binnen, renden in de gangen mee. Open gedaan werd ’r niet.
Nog eens aan de achterzij bonzend, gaf de chauffeur ’n schreeuw, en ook Joep, door ’n spleet van 5t hout, kijkend, had moeite te blijven staan. Wat ze zagen, wat door ’n zonne-lichting beschenen werd,was monsterachtig.
Op den grond, op de verteerde plekken van ’t zeil, lagen ’t hoofd en ’n ontbloote schouder van den Prof.
Meer van z’n lichaam was door de spleet niet te zien — meer behoefden ze niet te zien.
De onbeweeglijk-geopende oogen, de als in roep verstarde mond, ’t wasbleeke van ’t gelaat in de warring der roode en grijze haren, zeien wat ’r te zeggen viel.
186