daad, niet alleen dat haast misdadige zonder de toestemming van twéé kanten begaan had — maar, en dat was ’t ding waarbij je verstand geen motieven meer vond!
— de vrouw met diè supérieure opoffering zoo nonchalant had behandeld, dat ze zelf niet meer zag. Waarom had de Prof dat gedaan? Waarom had-ie zich aan Loek te wréken?.... Wat zat ’r achter?
Den halven nacht in z’n bed had-ie daarover gepiekerd — nu, zonder ’t onklare, gespannene van late-nacht-gewroet, her-zag-ie alles nog eens zooals-ie ’t gister bij ’t vertrek in de auto gezien had.... Loek glimlachend.... Loek zonder beschermenden bril, gelijk hij dien na de operaties telkens gedragen had.... Loek tóch blind.... tóch met de oogen die dood waren....Waarom?.... Welk antwoord de ander ook geven zou — al moest hij z’n vermogen dubbel en dwars aan den kwakzalver afstaan
— Loek móést geholpen worden, móést, móést....
Dan, bij ’t snelle geglij van de auto, de oogen in de prettige zekerheid dat ze ’t daglicht konden grijpen als ze wóuen, sluitend — dacht-ie niet meer over den Prof, niet meer over Loek’s blindheid, niet aan
184