torentje wachtte, ’t torenje met z’n open deur en z’n pijp-kluivenden, tam de klok luienden koster.
Weer spurtte de chauffeur naar de villa van den geleerde, weer leunde Joep met ’n bijna weemoedige vreugde achterover.
Dit was de eerste keer, dat-ie ’r ziende, met gezonde oogen heen-reed — de eerste keer dat-ie niet in cynische gedachten gekerkerd zat — de eerste keer dat ’t leven beloofde — de eerste keer dat-ie zich sterke dingen voornam — de eerste keer dat-ie niet over éigen doen en bewegen, het eigen ik, murmureerde....
Aie je je f risch,warm-van-leven voelde, kon je voor anderen iets zijn — zoo als ziekte je verslapte verloor je je belangstelling....
Nu zou-ie den Prof duizend en een vragen stellen.... Of ’t ongedaan was te maken.... Te veranderen....
En als ’t niét kon, als de zonderling ’t niet wóu na z’n kwaadaardig afscheid van gister — of-ie dan Loek ziende wou maken door de oogen van welk dier ook.... Hoe-ie tobde, overwoog — begrijpen dee-ie ’t gebeurde niet.... Dadelijk was-ie over ’t onwaarschijnlijke, ’t onmogelijke gestruikeld dat de man met z’n respect voor Loek’s
183