vroeger met ’t gevoel van-wat-doen-die-menschen-lollig-en-lekker-mal zou hebben gepoogd, deed-ie geen oogenblik, zelfs niet toen 5n plaats-vervangend dominee bij ’t grafje ongezellig-lang sprak en 5n bemoeizieke wesp met zoemend-dreigende kringen rond ’s mans baard bleef duiken en draaien.
Meeluisteren dee-ie niet, wou-ie niet. Als-ie niet naar ’t kistje in den aardkuil keek, keek-ie naar de heggen van ’t kerkhofje, waar de glad-geschoren blaadjes dauwdruppen, bleek, met schuimig beslag droegen, en de spinwebben als in bevrore-nis, blauwig-wit, sponning van kartlende draden, tegen den damp uit de aarde aanweefden.
Het was ’n morgen, als ’n weiflend ontwaken na nachtvorst, of de herfst al op komst was. Het was ’n lieve, stille morgen, die bij ’t droom-moedertje met ’r poppen en poppen-zorgjes scheen te behooren en waarbij de stellige, bewerende kanselstem opdringerig, naar-opzettelijk klonk.
Zoo althans kwam ’t Joep voor. In zichzelf gekeerd, voortdurend over wat ’m bij ’tgraf bezig had gehouden denkend, stapte-ie in de auto, in de auto, die voor ’t kerk
182