pen....”, glimlachte-ie ’t kamer-donker toe — en terug in de gang, riep-ie enkel nog door den kier: „....Tot morgenochtend vróég — ik aanbid je....”
Maar zien deed-ie ’r eerst weer den volgenden avond — en met ’n zoo lugubere herinnering aan wat-ie doorstaan had, dat-ie bang was ’r te ontmoeten....
Netje werd om acht uur begraven.
Al de gordijnen van ’t slot waren neergelaten — Joep, door Johan gewekt, liep naast den huisbewaarder en ’n paar bloedverwanten. En de twee jongens die-ie aan tafel, als reuzen, gekend had, stapten achter hen aan.
Ze droegen allen hooge hoeden, geleende hoeden, te groot en te log, hoeden waaronder ze sip en over-ernstig keken, hoeden die door de andere schuw-meedribbelende kinders nieuwsgieriger begaapt werden dan ’t onder bloemen bedolven, niet zichtbaar Lilliputter-doosje met de kleine Net.
’r Om lachen, om dien ernst, dat deftig-heidsvertoon dat ze vooral ter eere van m e n e e r die ’t meemaakte, volbrachten — ’r bedaard inwendig mee spotten, als-ie ’t
181