— Mag ’k nog even, éven binnenkomen?
— Als je ’t licht niet opsteekt en bij de deur blijft staan...., zei ze verheugd, om alles, om ’t onzegbare dat ze in z’n geluid vond. Zachtjes scharnierde de deur — zachtjes bestapte-ie ’t zeil.
Ze lag in ’t bed, zien deed-ie ’r niet.
— Heb je niets noodig, Loek?
— Niets.
— Ben je boos dat ik je stoor?
— Waai om boos — jij ziet mij niet — ik zie jou niet — slapen dee ’k nog niet....
— Waar dacht je dan aan?
Even bleef ’t stil.
Toen zei ze zeker, zonder ’n aarzeling in ’r stem: — Aan jou.
— Ik aanbid je, zei hij toen, ’t kamerduis-ter toesprekend.
— Dank je, antwoordde ze — de oogen vol tranen.
’t Was te laat. Samen gelukkig zijn kón niet meer.... ’n Vrouw die niet zag kón niet — mocht niet....
Bij de deur dacht-ie nog: ’k neem ’r in m’n armen — ik kan geen seconde meer buiten ’r, maar omdat ze zoo weldadig rustig zei: „....Goeien nacht.... Nu moet je zélf gaan slapen.... Vannacht heb je ook niet gesla
180