heid, de laagheid, ’t onmannelijke — van twee oogen ’t licht en de vreugde in zich te hóuden — van twee oogen, die haar met de geboorte waren gegeven, profijt — profijt: hoe plat klonk ’t woord! — te trekken — liet-ie die vróuw, die vróuw — de eerste vróuw, die-ie bij z’n gejaag naar vrouwen gevonden had, zonder ’r te willen vinden — aan ’r lot in ’r kamer over.
Als ’k weer blind zou worden, dacht-ie, de oogen sluitend en stevig de handen op wat van haar was — weet ’k zoo heerlijk-nauw-keurig hoe ze ’r uitziet, hoe ’r lippen, die me niet hebben willen kussen, zijn — hoe ’r neus is — hoe ’r lach, hoe ’r haar.... En ’k wil, ’k zal ze niet houen — ’k heb niet één recht op zoo’n goden-geschenk....
Op z’n teenen sloop-ie naar ’r kamer, luisterde, ’t oor tegen ’t sleutelgat.... Misschien ligt ze in ’t donker te huilen, redeneerde-ie
— misschien is ze zoo diep, zoo waanzinnig-ongelukkig als ik ’t was....
En zich niet kunnend bedwingen, riep-ie zacht, dol-triestig, vol teederst verlangen ’r stèm ten minste te hooren:
— Loek!.... Loek!.... Slaap je, Loek?
— Nee — ’k slaap niet, antwoordde ze dadelijk.
r79