— En dat weiger ’k nog, zei ze moeilijk.
— Weiger je?
— Weiger ’k, Joep.... Ik wil geen blok aan ’t been worden — ben meer dan gelukkig omdat jij gelukkig ben....
— Denk je, lachte hij: dat m’n vróuw me ’n blok aan ’t been kan worden, hahaha!
— Je vrouw, zei ze, beslist ’t hoofd schuddend: nee, Joep....
— Hahaha! lachte hij: niet m’n vrouw?
— Nee, zei ze, zonder n’ aarzeling nooit ....Toen ’k nog oogen had, heb ’k ’t vurig gehoopt — dat mag ’k nou biechten — zónder oogen kan ik niet alles voor je zijn....
— Nee? lachte hij haar weer in z’n armen nemend: zeg dat zóo nóg eens!
— Nooit, herhaalde ze met starende, doel-looze oogen: om alles voor je te worden, zou ’k de moeder van — van je kinderen moeten zijn — en — aan ’n blinde moeder heeft ’n kind niets, niets — daar dacht je in je dankbaarheid niet aan....
Tree voor tree, samen dezelfde stapjes nemend, waren ze de trap opgeloopen, de sterfkamer met ’r brandende kaarsen en bloemen voorbij — bij de deur bukte-ie
173