— Om jou....
— Als ’k had kunnen weten — die lange avonden — die lange nachten, dat iemand
— iémand — van me hield.... had je me niét hooren klagen, Loek.... Loek....
— Nu ziè je ’t — ziè je dat, lachte ze weer:
— ....als ’k bij je mag blijven, ben ’k gelukkig....
— Bij je mag blijven — mag blijven...., praatte-ie na: „als je bij me wil, wil blijven....
Voor ’t eerst drukte-ie ’r in z’n armen, met ’n zoo gloeiende onstuimigheid of-ie ’r ja-ren lief had gehad.
Maar ’m z’n kussen terug geven dee ze niet
— ’t geklepper der hoeven hoorde ze nog
— èn de woorden van de andere, voor wie-ie ’r dien eersten zienden nacht in den steek had gelaten....
— Nu moet je, als ’k ’t je niet te lastig maak, nog een ding voor me doen...., zei ze, tegen den avond.
— Wat je verlangen kan!....
— En zonder ’r bij te spotten....
— Natuurlijk, lachte hij.
— Ook zonder ’r spottend bij te dénken, Joep....
170