hooge hakjes nijdigden over den parketvloer — buiten klonk geklepper van paar-dehoeven.
En binnen bleven de twee stil, zoo stil of ze mekaar pijn hadden gedaan.
Hij, voor ’t raam, keek grimmig, met gebalde vuisten, de in ’t zonlicht glimmerende brik met de spiegelgladde verniswandjes na — den hoed met de wapperend-sarren-de witte veeren — den correcten g r o o m ....zij, bevend, tastte naar ’r zakdoek, om de heet, uit ’r doode oogen weerbarsti-gende tranen — vóór hij ze oplette — te drogen.
Dat lukte niet.
— Loek, zei-ie smeekend: ik dacht dat jij boven zulke uitvallen stond!
Omdat ze plots snikte, omdat ze ’t niet langer bedwong — en omdat-ie ze niet dulden kon, die verwijtende, wanhopige tranen, zakte-ie op de knieën voor ’r neer, ’r twee handen met geweld in de zijne houdend, èn ’t „waarom” kwam eindelijk — eindelijk
— van z’n lippen....
— Waarom heb je ’t gedaan, Loek?.... Waarom heb je ’t me niet gevraagd?.... Waarom heb je ’t gewild? Waarom?.... Waarom?....
169