in ’r stem om de aanwezigheid van de andere, die niet zooveel tact had heen te gaan, als ’r bezoek voor hem was.
— Rij je mee, Joep?
— Nee. Ik kan niet weg.
— Kun je niet weg? Zooveel zaken aan je hoofd?
— Ja, zei-ie stug.
— Zoo, antwoordde ze achterdochtig:.... je schijnt door je oogziekte op je intérieur verzot te zijn geraakt....
— Dat ben ’k...., glimlachte hij kalmpjes.
— Breng me tenminste tot aan ’t rijtuig, Joepje — als je ook dat niet te veel moeite is____
— Te veel moeite, nee...., aarzelde hij bijna grof.
— Ik wou je één moment iets privé zeggen, praatte ze luchtig.
— Ik kan even heengaan, zei Loek opstaand — maar dadelijk in de diepste machteloosheid greep ze de stoelleuning weer.
— Je hebt niét heen te gaan, Loek, kwam Joep ingehouden-driftig los: als je me wat te zéggen heb, Georgette, kun je ’t hier doen — voor m’n verpleegster heb ’k geen geheimen....
— Merci, sprak ’t bezoek vinnig: daar zal 166