over zich scheen gekregen te hebben — gekregen had — voelde-ie zich van ’n bleue houdingloosheid — of ze ieder gebaar van
’m oplette of ze iets kostbaars was,
dat niet aangeraakt, niet besmet mocht worden.
— ’t Gaat onweeren, zei zij ’t eerst.
— Wil je liever uit de serre weg, Loek, vroeg-ie, zoo ongewoon of-ie met ’t gestorven kindje sprak.
— Nee, glimlachte ze om dat „Loek”, dat-ie nog nooit had gezegd: we zitten hier goed niewaar?
— We zitten hier uitstekend, zei-ie ’n stoel bijschuivend.
Voor ’t raam, dicht bij ’r, zag-ie de weer-lichtingen, de paars-violette zwevingen, de felwitte scheuren in ’t aschgrauw van den hemel, en om ’r niet te laten schrikken, waarschuwde-ie ’r bij ieder sidderend von-kengevlucht....: nu komt de slag....
En dan sloten ze allebei de oogen tot ’t knettrend geratel in de wijde stilte versloop.
— Kijk niet zoo in dat licht, waarschuwde ze met ’n glimlach: ....daar kunnen mijn oogen niet tegen....
En z’n gelach werd door ’t donker ge-164