voortuintje, waar de auto stond te puffen. Loek zat op ’r ouwe plekje, ’t hoofd gebogen, de handen gevouwen. En toen ze ’t grint hoorde kraken, keek ze naar de zij van ’t geluid.
Ze glimlachte — bang voor wat-ie zou zeggen— glimlachte in verlegenheid.
’n Man zulk ’n offer brengen, was dien man alles, alles plots uit-vertellen wat je in eindelooze nachten over ’m gedacht en gevoeld had.
Dat behuiverde ’r, nu ze z’n voetstappen zóó dichtbij wist.
Dat gaf haar ’n schaamte-sensatie, deed ’r handen in beschermenden greep naar ’t verpleegsterkleed, dat ze nóóit meer noo-dig had, tasten — deed ’r zenuwtrillend glimlachen....
Als de auto véérde, stapte hij in, zou ze z’n dank, dien ze niet wilde, niet verlangde, moeten aanhooren — aanhooren in den nacht, die z’n verschrikking voor ’r verloor, nu ze zijn onstuimige blijdschap voorvoelde.
Hij, buiten, voor het glas van de auto, keek ’r aan, voor zoover-ie in ’t felle zonlicht kon kijken.
Hij zag ’r met de geopende oogen glim
157