— Op m’n eerewoord, als je dat van iemand die van eer weet heeft, par ma-nière de complaisance hebben wil — ze hééft haar oogen aangeboden, hè.ar oogen, meneer — en jij ziet, loog de Prof, zonder te liegen.
— Dat accepteer ’k niet — mag ’k niet accepteeren, heftigde de patiënt.
— Zeg ’r dat zelf, zei de Prof, de andere kamer in gaand en de deur achter zich sluitend.
Bij de slordige uitstalling van retorten, kolven, reageerbuizen — bij de glimmering der toestellen en ’t zwijgen der genarcotiseerde dieren op de vivisectietafels, liep Joep op en neer — onder den indruk van wat de cynische kerel ’m verteld had — en ’t niet geloovend. ’t Kon niet. Loek zich voor hem offeren — Loek ’t noodlot, dat hem radeloos gemaakt had, met zulk ’n eenvoud en berusting, aanvaarden — waarom? — waarom? — Nee.... ’t Was ’n unfaire, leelijke, minne en minderwaardige grap van den Prof.... ’t Lag ’r dik bovenop.
Want als één mensch zoo iets heroisch voor ’n vreemde dee, zoo iets doen kon — dan zou de zonderling die hem weer tot dag
155